De drie hoofdstromen van het Boeddhisme
Voormelde inzichten van de historische Boeddha worden door alle boeddhistische
stromingen gedeeld. Ze vormen de kern van de drie traditionele hoofdstromen
binnen het boeddhisme, te weten het Theravada-boeddhisme (het zuidelijk boeddhisme
in landen als Thailand, Myanmar en Sri Lanka), het Mahayana-boeddhisme (daartoe
behoren het Ch´an- en Zen-boeddhisme in landen als China, Japan en Zuid-Oost
Azië), en het Vajrayana-boeddhisme (in Tibet, Nepal en Bhutan). Naast deze
drie traditionele hoofdstromen begint zich thans in het westen ook een eigen
westers boeddhisme te vormen.
De drie traditionele hoofdstromen verschillen in hun houding ten opzichte
van monniken en leken. Tijdens het leven van de Boeddha hadden mensen de keuze
tussen toetreden tot de gemeenschap van monniken en nonnen (de sangha) of
lekenvolgeling worden. Men moet zich die sangha's tijdens het leven van de
Boeddha overigens niet voorstellen als kloostergemeenschappen. Aanvankelijk
kozen de meeste leden van de sangha er voor het Pad in eenzaamheid te volgen.
Slechts gedurende de drie maanden van de regentijd leefde men gezamenlijk.
Later zijn pas de kloosters ontstaan, waarin men permanent bleef wonen.
Maar het belangrijkste verschil tussen de drie hoofdrichtingen betreft de
vraag wat de Boeddha aan onderricht gegeven heeft. En die verschillen in opvatting
over wat de Boeddha geleerd heeft hangen weer nauw samen met inhoudelijke
opvattingen over de fundamentele aard van de werkelijkheid, de spanning tussen
verlichting en compassie en de aard van de meditatiepraktijken.
In het oosten wordt groot belang gehecht aan traditielijnen, de juiste overlevering
van mens op mens, van leraar op leerling. Aanvankelijk was sprake van een
mondelinge overlevering. Pas later zijn de overleveringen op schrift gesteld.
Talloze geschriften worden aan de Boeddha toegeschreven. Over de enorme hoeveelheid
aan hem toegeschreven geschriften kan het volgende worden opgemerkt.