Typering van de drie hoofdstromen
De drie hoofdstromingen worden ieder gekenmerkt door verschillende combinaties van de hierboven genoemde accenten. De accentverschillen zijn overigens niet uitputtend genoemd. Hieronder wordt een grove typering van de hoofdstromingen gegeven.
Theravada
Het Theravada (in de Mahayana-traditie Hinayana genoemd) baseert zich op het publieke onderricht van de historische Boeddha.
Als gevolg van het optreden van keizer Ashoka, die in de 3e eeuw voor Chr. leefde en die het Indische subcontinent tot eenheid bracht, verspreidde het Theravada-boeddhisme zich zowel naar het zuiden in de richting van Sri Lanka (en van daaruit naar Zuidoost Azië), als naar het noordwesten in de richting van het huidige Afghanistan en de hellenistische wereld (het gebied dat door Alexander de Grote was veroverd) en het noordoosten, naar China (via de Zijderoute). Later, in de 12de eeuw, raakte het boeddhisme in India in verval. Het werd door de islam verdrongen, zoals dat al eerder gebeurd was in de hellenistische gebieden westelijk van India. Het Theravada bleef levend in Sri Lanka, Birma, Thailand, Cambodja, delen van Vietnam en Indonesië.
Het Theravada maakt een groot onderscheid tussen de sangha (monniken en nonnen) en lekenvolgelingen. De opvatting overheerst, dat je monnik moet worden om de verlichting te kunnen bereiken. De leken hebben de taak de sangha te faciliteren en daarmee verdiensten op te bouwen, waardoor zij later zelf monnik kunnen worden en de verlichting kunnen bereiken.
In veel Zuidoost-Aziatische landen is het traditie dat een jongen rond zijn 18de jaar intreedt in de Sangha. De meesten treden na een maand of drie weer uit. Maar gedurende het leven treden zij weer enkele malen tijdelijk tot de Sangha toe. De leden van de Sangha dienen volgens de kloosterregel te leven. De lekenvolgelingen houden zich aan lekengeloften, die minder ver gaan dan die van de monniken en nonnen.
De hoofdbeoefeningen zijn combinaties van shamatha- en vipassana-meditatie.
Shamatha is de meditatie waarin eenpuntige aandacht beoefend wordt, waardoor de geest tot rust komt, zijn natuurlijke helderheid hervindt en gelijkmoedigheid ontstaat. Vipassana is een inzichtmeditatie. De student leert gedachten, gevoelens en lichamelijke en zintuigelijke signalen waar te nemen zonder deze te onderdrukken en zonder zich er door te laten meeslepen. Alles wat zich in en om de mediterende afspeelt vormt zo een object voor waarneming, en als het zijn kracht verloren heeft kan de waarneming zich weer richten op de ademhaling. Hierdoor ervaart de student ook de veranderlijkheid van al het bestaande, inclusief de eigen gemoedstoestanden. Door waar te nemen zonder je met het waargenomene te verbinden wordt de identificatie doorbroken. Door de beoefening wordt niet alleen inzicht verworven in het aspect van veranderlijkheid, maar ook in dat van dukkha (lijden) en anatta (niet-zelf). Tenslotte wordt hierdoor inzicht of verlichting gerealiseerd.
De laatste tijd heeft er binnen het Theravada een herontdekking van vipassana-meditatie plaatsgevonden. Deze techniek vindt momenteel ook veel beoefenaars in het Westen. Naast het werken aan eigen realisatie wordt grote nadruk gelegd op mededogen met al wat leeft.
Mahayana
Omstreeks het jaar 520 van onze jaartelling bracht de Indiase meester Bodhidharma een traditie naar China die zou uitgroeien tot China's eigen vorm van boeddhisme: ch'an, een Chinese verbastering van het Indiase dhyana - meditatie. Deze traditie wordt gekenmerkt door:
- een grote nadruk op meditatie
,
- de opvatting dat verdienste niet in de eerste plaats komt van goede werken, maar door inzicht in de zuiverheid van je eigen 'ongeboren' boeddha-natuur
- de nadruk op 'leegte'
- de dialoogverhouding tussen leraar en leerling
- de nadruk op schoonheid in vergankelijkheid
- compassie met al wat leeft
- het transcendente in de natuurlijke wereld
- plotseling optredende verlichtingservaringen
- non-conventionaliteit
Ch'an werd vanuit China geïntroduceerd in Vietnam en Korea, en later (in de
8ste eeuw) in Japan, waar het de naam zen aannam.
Binnen ch'an en zen bestaan twee hoofdrichtingen, de rinzai-traditie en de
soto-traditie.
Ch'an en zen worden zowel door monniken en nonnen als door leken beoefend.
Beiden zijn in staat verlichting te bereiken. De nadruk ligt op het hier en
nu van de seculiere praktische situatie. Het is sterk verbonden met andere
spirituele disciplines, zoals bloemschikken (ikebana), boogschieten (kuydo),
judo, kendo, theeceremonie, kalligrafie en tuinaanleg.
Vajrayana Hoewel het boeddhisme reeds veel
eerder Tibet bereikte, vond de echte ontwikkeling ervan rond 800 plaats, toen
de Tibetaanse koning Trisong Detsen de Indische meester Padmasambhava uitnodigde
om naar Tibet te komen om daar het boeddhisme definitief te vestigen.
Met de komst van Padmasambhava vond een instroom in Tibet plaats van alle
vormen van boeddhisme, die toendertijd juist op of net over het hoogtepunt
van hun ontwikkeling in India waren. Ook werden elementen van de aan het boeddhisme
voorafgaande religie van Tibet - de Bön - meegenomen. Het Tibetaans boeddhisme
baseert zich zowel op de Pali-canon als op de prajnaparamita soetra's.
Aanvankelijk vormden zich drie scholen binnen het Tibetaanse boeddhisme, te
weten de Nyingma-, Sakya- en Kagyu-school. Ieder van die scholen had weer
vele onderscholen. In de 14de eeuw begon -eerst binnen de Kagyu-school en
later ook in beide andere scholen- een hervormingsbeweging die uitgroeide
tot de Gelugpa-school, die verreweg de grootste school van het Tibetaanse
boeddhisme is geworden. In de vorming van deze school speelde Tsong Khapa
een belangrijke rol. De verschillen tussen de vier scholen van het Tibetaanse
boeddhisme, en thans ook de (hervormde) Bön, zijn niet bijzonder groot. De
verschillen komen voort uit de specifieke bronnen van elk van de scholen,
waardoor accenten anders worden gelegd.
Als gevolg van de geïsoleerde ligging van Tibet kon het uit India overgenomen
maar daar verloren gegane boeddhisme in Tibet bewaard blijven tot de Chinese
inval. Na de inval, bezetting en onderdrukking moesten vele hoge lama's Tibet
verlaten. Zij namen het onderricht eerst mee naar India en de niet door China
bezette gebieden in de Himalya en vervolgens naar de rest van de wereld. Hierdoor
is het Tibetaanse boeddhisme thans over de gehele wereld verspreid.
Westers boeddhisme Door de snelle groei van
het boeddhisme in het westen zijn er vele aanzetten het boeddhisme te vertalen
naar een westerse context. Er zijn ook sangha's die zich ten doel stellen
vorm te geven aan een eigentijdse westerse vorm van boeddhisme.
terug naar index